Blog

Blog: Met een stevig vaartje en mijn benen in de lucht

Met uitzondering van een groepje boze witte mannen op Twitter is de wereld het er redelijk over eens dat het klimaat verandert. En dat we daar iets mee moeten, schrijft Elise Fikse. Ze vindt het al vreselijk ingewikkeld om haar koffer te pakken voor een vakantie met onduidelijke weersvoorspelling, laat staan dat er je een stad en infrastructuur op moet inrichten. "Het wordt warmer en natter, maar geen idee hoeveel. Succes!"

Vanwege die onzekerheid, zijn we vooral op zoek naar adaptief vermogen. Flexibiliteit. Maar infrastructuur en flexibiliteit zijn doorgaans niet elkaars beste vrienden. Getuige Station Amsterdam Centraal, dat na twee decennia verbouwing echt bíjna klaar was, maar toch niet voorbereid blijkt op de toenemende drukte en dus wederom volledig op de schop moet. Als de infrastructuur niet adaptief is, moeten mensen dat maar zijn.

 

Ik vind mezelf best adaptief in de zin dat ik rustig een half jaar lang driemaal daags door een aardedonker trappenhuis omhoog kan stommelen, omdat de lamp stuk is. Ik zou een ladder kunnen zoeken en naar boven tillen en de kap van de lamp schroeven en kijken wat voor lamp erin moet en dan naar de winkel gaan om die te kopen en die ladder weer op om hem in te draaien. Ik kan ook het donker accepteren en mezelf bijschijnen met mijn telefoon. Je kunt dat adaptief noemen. Je kunt het ook anders noemen.

 

Gelukkig bestaat er ook een ander slag volk, realiseerde ik mij toen ik de Oosterscheldekering bezocht. Degenen die dat gebouwd hebben waren onmogelijk uit het veld te slaan. De bodem is te zacht om een dam op te bouwen? Dan verstevigen we die toch met matten? Hoe komen we dan aan die matten? Die produceren we in de fabriek die we daar speciaal voor bouwen. En hoe krijgen we die matten dan uitgerold? Daar bouwen we een boot voor. Maar hoe krijgen we ze dan op precies de juiste plek? We kunnen toch deze drijvende asfaltfabriek ombouwen? En zo was er aan één randvoorwaarde voldaan om te kunnen begínnen met bouwen. Man, man, man. Deze go-getters-mentaliteit kunnen we de komende decennia goed gebruiken. Als we de Deltawerken kunnen bouwen, kunnen we ook wel wat regenwater afvoeren.

 

Vooralsnog ging mijn persoonlijke klimaatadaptie niet verder dan dat ik na een flinke hoosbui met een stevig vaartje en mijn benen in de lucht door de volgelopen straten fietste. Maar ik heb geleerd van de Oosterscheldekering en ga standaard een paar regenlaarzen meenemen. Sterker nog, fietstassen kopen om regenlaarzen in te bewaren om geen natte voeten te krijgen. Je zou kunnen spreken van mijn persoonlijke Deltawerk.

Door Elise Fikse. Dit artikel is verschenen in Verkeer in Beeld 01/2018

Deel dit artikel